Gisterenochtend heb ik geschreven over één van mijn helden, Carl Gustaf Jung. Wat maakt iemand een held voor mij? Helden, dat zijn voor mij mensen die van binnenuit gedrag ontwikkelen dat net even verder gaat dan dat van de gemiddelde doorsnee aardbewoner. Zover ik nu kan overzien zijn al mijn helden begaan met het lot van de mensheid en de aarde waarop wij allen met elkaar leven. Misschien niet de hele dag of hun hele leven, maar zij zijn betrokken, en creatief, scheppers, geen vernielers en dat is hun passie. Veel van mijn helden bewegen zich in het artistieke veld. Onder hen zijn veel popmuzikanten, of liever rockers, want ze zijn zonder uitzondering coole types. Ik luister nu zo’n zestig jaar muziek en beleef daar nog steeds veel plezier aan en ondervind daarbij regelmatig steun van mijn helden. Daar ik verander, of in ieder geval mijn emotionele habitus, of het gebrek daaraan, er voor zorgt dat ik steeds weer anders in het leven sta of er tegenaan kijk, krijg ik steeds meer helden en wisselen zij ook voortdurend van plaats. Momenteel bestaat mijn top drie uit Alvin Lee, helaas veel te vroeg overleden door complicatie als gevolg van een medische misser tijdens een operatie, Shirley Manson, die als vrouw deze plek al jaren bezet houdt en sinds kort Thom York. De laatste komt niet uit het niets voor mij, ik vind zijn muziek echt uniek, maar sinds ik momenteel uit enigszins misplaatste consideratie met mijn buren, ‘s avonds laat met de hoofdtelefoon op luister én een aantal cd’s van Radiohead heb gekregen, heb ik mij veel beter in zijn teksten kunnen verdiepen en is er voor mij een diepe band aan het ontstaan met het beeld dat ik krijg van Thom York.
Van helden als deze wordt bijna zonder uitzondering gezegd dat zij enorme ego’s zijn en dat is meestal geen compliment. Zelf krijg ik, terecht, deze kritiek ook vaak, maar het kan altijd erger heb ik ondervonden. Blijkbaar zijn de ego’s van de mensen in de concertzalen nog groter dan die van de artiesten op het podium die hun best doen de sterren van de hemel te spelen. Het is ronduit onbeschoft wat zich tegenwoordig afspeelt tijdens een concert in een zaal.
Als klein kind werd ik door mijn vader op zondagmiddag soms meegenomen naar een klassiek concert in de Doelen in Rotterdam. Dat was leuk, maar inmiddels had ik de eerste tekenen van popmuziek ontdekt op de middengolf van de oude radio in het hoekje in de kamer achter de kachel en het bureautje van mijn moeder, waar ik graag zat. En toen ik op zes jarige leeftijd mijn eerste singeltje van the Beatles kreeg, was het hek van de dam. Dit zeer tegen de wens van mijn ouders in, die dan ook zeiden dat popmuziek geen blijvertje zou worden. Toen ik een jaar of elf was woonde ik mij eerste popconcert bij, beneden in de al van de Doelen trad Kayak op. Het duurde niet lang of ik zat ongeveer één keer per maand, meestal in de Doelen, naar de grote namen van de jaren zeventig te luisteren.
Wat direct op viel en toch wel even schrikken was voor zo’n jong kereltje was het verschil met de klassieke concerten inde Doelen. De grote zaal was altijd een keurige, goed onderhouden plek vol luxe stoelen van een heel naar soort blauwgroen waar de toeschouwers of luisteraars zo je wilt, stilletjes zat te luisteren en te genieten. Een klein kuchje tijdens een zacht stukje wed al als zeer storend ervaren en het zweet brak mij altijd uit wanneer ik een kriebel in mijn keel begon te krijgen. Mijn eerste popconcert in de grote zaal was meen ik dat van Bachman Turner Overdrive, een Canadese rockgroep met mannen in houthakkershemden. Om te beginnen zag de voorheen rookvrije zaal, blauw van de wietdampen en werd hard gejuicht, gefloten en geklapt na ieder nummer. Ook stonden en sprongen te enthousiaste concertgangers af en toe op de dure stoelen. Er was echter heel veel respect en liefde voor de artiesten op het podium en je merkte dat iedereen goed luisterde. De toehoorders en de bandleden beleefden een geweldige avond, al had je na het verlaten van de zaal, wanneer het concert was afgelopen steevast een harde ruis en fluittoon in je oren die aanhield tot ergens in de middag van de volgende dag. Dat hoorde erbij.
Helaas, die goed oude tijd is voorbij. Tegenwoordig staat of zit iedereen op luide toon door elkaar te praten, of is het schreeuwen (?) en luistert er niemand meer écht naar de muziek. Ga lekker na een café denk ik dan met weliswaar ingehouden, maar behoorlijk veel irritatie en woede. Wat zijn dit voor giga ego’s die hun slappe geouwehoer belangrijker vinden dan het concert, de muzikanten en de andere aanwezigen. Iedereen kent wel het volume tijdens een popconcert, maar het is soms gewoon niet meer goed te horen. Wat zijn dit voor respectloze hufters? Soms gaat de bandleden met hun rug naar het publiek staan, geven geen toegiften meer of lopen gewoon weg, het podium af om niet meer terug te komen. Ik weet niet of dit een puur Nederlandse traditie aan het worden is, wel dat het in alle zalen, groot of klein, met of zonder stoelen gebeurd. Het is een heel droevig stemmend fenomeen waardoor ik een aantal jaren geleden jammerlijk besloten heb niet meer naar rockconcerten te gaan. Op naar het concertgebouw voor een klassiek concert dan maar? Of toch niet? Vorig jaar Kerst zat ik daar naar Handels Messiah te luisteren en het was niet te geloven!!! Naast mij zat een man zijn ego te strelen door aan een stuk door zijn vriendin uit te leggen wat er gebeurde in dit prachtige oratorium. Doe dat lekker thuis denk ik dan. Inmiddels luister ik alleen nog maar thuis naar muziek.

